Historie
In de 16e eeuw veranderden grote stormvloeden de loop van de Oosterschelde. Dorpen en polders werden verzwolgen en op dit zogenaamde ‘verdronken land’ ontstond de Nederlandse variant van de weervisserij die toentertijd ook elders langs de Europese kust werd beoefend. Het ondergestroomde land nam de vorm aan van grote zandplaten die bij vloed onder water stonden en bij eb bijna droogvielen. Het bleek de ideale paaiplaats te zijn voor de ansjovis die vanuit Zuid-Europa naar het Noorden trok op zoek naar ondiep water.

V-vorm worden opgesteld. Een haag bestaat uit eikenhouten takken van 4 of 5 meter lengte die dicht bij elkaar in de grond worden gestoken.
Bij vloed steken de takken nauwelijks boven het water uit, bij eb valt de zandplaat bijna droog en kan met lieslaarzen worden belopen. Bij hoogwater zwemmen de ansjovis ongemerkt de
V-vorm in om te paaien op de zandplaat. De opkomende eb doet hen echter zoeken naar dieper water en dat is het moment waarop de vissers in actie komen. Ze drijven al lopend de ansjovis steeds dieper de V-vorm in. Op het punt waar de eikenhouten hagen bij elkaar komen is een fuik opgesteld: de vis wordt gevangen.







